Draaikolk
Over de draaikolk van psychiatrie en armoede, en een telefoon die om negen uur al gaat.
Vandaag hing er een man huilend aan de telefoon. Ik had de telefoon net aangezet om 09.00 uur. Een volwassen man. En niet voor het eerst.
Geen eten voor de komende twee weken, want er is de aankomende 2 weken geen leefgeld. Ja, hij heeft moeite zijn beschikbare leefgeld op de juiste manier uit te geven. Dat klopt. Maar niet uit onwil, en niet omdat hij zich misdraagt – het hoort bij zijn ziektebeeld, net zo onlosmakelijk als de rest. En juist dáár wringt het: zijn geld wordt beheerd op een manier die ervan uitgaat dat een vast bedrag vanzelf een week meegaat. Bij hem gaat het dat niet.
Hij is bij cliënt bij ons geweest en heeft de maximale termijn noodhulp ontvangen. En toch meld hij zich nu voor de 4e keer weer bij mij. Hij heeft psychiatrische problemen. En hij zit klem tussen een bewindvoering die niet bij hem past en een begeleiding die niet levert wat hij nodig heeft naar mijn mening. Zelfs als hij de hulp af zou slaan, want een volledig beeld daarvan krijgen is lastig, dan is de vraag nog of je hem dat aan kan rekenen met zijn problematiek
Ik zou willen dat het een uitzondering was. Dat is het niet.
Het Trimbos-instituut zegt het nuchter: financiële problemen en psychische klachten hangen sterk samen, en die relatie werkt twee kanten op. Geldzorgen maken psychische klachten erger, en psychische klachten vergroten de kans op geldzorgen. Het is geen toeval dat deze twee dingen bij elkaar zitten. Het is een draaikolk, een perfect storm.
En de cijfers over deze groep zijn niet mals. Uit het onderzoek onder mensen met langdurige psychische problematiek blijkt dat minstens 55 procent onder de armoedegrens leeft. Ter vergelijking: van alle Nederlandse huishoudens was dat rond de 7 procent. Eén op de vijf heeft geen enkele buffer. Eén op de vijf kan bijna nergens anders meer aan denken dan aan geld. En wie financiële problemen heeft, blijkt ook meetbaar meer psychische klachten te hebben dan wie die problemen niet heeft. De draaikolk, in getallen.
Maar het cijfer dat me het meest raakt, is dit: van de mensen in dat onderzoek die financiële problemen hebben, vroeg de helft geen hulp. En vier op de tien wisten niet eens bij welke instantie ze terecht konden. Niet uit onwil. Uit schaamte. Uit ongemak. Uit de angst dat een instantie het alleen maar erger maakt. Iemand vertelde de onderzoekers dat er wél elke week begeleiding langskwam, maar dat het nooit over geld ging – want dat vond hij te ongemakkelijk. Dus daar gebruikte hij die begeleiding niet voor.
Lees die zin nog eens. Op papier klopt het. Er ís hulp. En toch komt-ie niet aan, heeft het niet het gewenste resultaat. De vraag die dan blijft liggen is: wat voor mogelijkheden zijn er nog en worden die benut, en zoals altijd het geval is, wie neemt de regie.
Dat is precies waar de man van vanochtend zit. De bewindvoerder is geen slechte man. Hij gaf een paar maanden geleden zelf aan de telefoon toe dat hij deze casus niet goed aankan. Zijn werkwijze, hoe hij omgaat met cliënten sluit niet aan bij de zorg en benadering die deze man nodig heeft. Dat is eerlijk. Misschien zelfs moedig. Ik begrijp ook zijn onmacht. Maar vanuit die onmacht wordt niets opgelost en komt alles tot een halt. Want er is geen soepele route naar iemand die het wél kan. En de begeleiding die er is, sluit niet aan bij wat hij daadwerkelijk lijkt nodig te hebben.
Twee mensen die het niet slecht bedoelen. En het lukt toch niet. Dat is geen schurkenverhaal. Dat is iets veel triesters: een systeem dat is gebouwd voor de gemiddelde cliënt. Iemand bij wie een vast leefgeld ook echt de hele week meegaat, die zijn post opent, zijn afspraken nakomt. Precies de dingen die bij psychische klachten kunnen haperen. Het verkeerd uitgeven is bij hem geen kwestie van discipline die je met een strak budget bijstuurt – zoals bij de ‘gemiddelde cliënt’. En laat dat nou net het enige zijn waar de standaardaanpak geen antwoord op heeft. Dit is een geval tussen wal en schip, één van vele uitzonderingen op de regel.
En zo valt uitgerekend degene die het meeste baat zou hebben bij een systeem dat meebuigt, door de mazen van het systeem dat het minst meebuigt. Mensen in zijn situatie bezuinigen, zo blijkt, op de dingen die iemand nog verbinden met de wereld. Hij slaapt op de bank, zijn televisie is kapot, zijn huis is een chaos. De vraag is of je hem dat aan kan rekenen. Hij heeft niemand om zich heen. Zijn wereld wordt kleiner. Eenzaam, alleen en wanhopig.
Wij sturen vandaag een pakket, zorgen dat hij eten heeft. Natuurlijk doen we dat. Maar een voedselpakket repareert geen mismatch. Het overbrugt twee weken honger, en daarna hangt dezelfde man weer aan dezelfde telefoon, met hetzelfde verhaal.
Noodhulp kan een gat dichten. Maar niet dít gat. Dit gat zit ingebouwd, een niveau hoger, waar de gereedschappen worden gemaakt die niet in ieders handen passen.
En intussen moet er wél gegeten worden.
